''Spaanschen Brabander'' door Gerbrand Adriaensz. Bredero

Zakelijke gegevens
Titel : Spaanschen Brabander
Auteur : Gerbrand Adriaensz. Bredero
Uitgegeven : 1617
Pagina's : 56
Genre : Toneelstuk, komedie, schelmenroman, blijspel
Onderwerpen : Prostitutie, sociale problemen, maatschappijkritiek

Mening 
Ik vond het een lastig toneelstuk om te lezen en te begrijpen. Om het hele verhaal te begrijpen, , is aardig wat moeite voor nodig. Toch zit er niet heel veel diepgang in het stuk vind ik. Dit komt waarschijnlijk doordat het een toneelstuk is, daarbij zijn eigenlijk alleen maar monologen, dialogen en regieaanwijzingen. 

Samenvatting 
1e bedrijf 
1e toneel 

Jerolimo zegt Antwerpen boven Amsterdam te stellen. hij is daar echter failliet gegaan, mede door vele contacten met prostituées, en heeft nu, gevlucht naar Amsterdam, de goederen van zijn buren -die hem toevertrouwd waren- gegeven aan zijn schuldeisers. Zijn vermeende rijkdom is slechts schone schijn.
2e toneel 
Robbeknol verschijnt en vertelt aan Jerolimo dat zijn vader na diefstal werd verbannen en stierf in het Spaanse leger. Zijn moeder begint daarna een verhouding met een neger waaruit een zoontje geboren wordt. Deze neger blijkt ook al een dief te zijn. Hij wordt gepakt en gemarteld en mag geen contact meer hebben met de familie van Robbeknol, die daarom in zijn levensonderhoud is gaan voorzien door bedelarij en diverse baantjes. 
Jerolimo keurt het platte en botte Hollands af en Robbeknol veroordeelt alle buitenlandse invloeden op het Brabants. Jerolimo neemt Robbeknol in dienst als knecht, maar maant tot spaarzaamheid en soberheid. Robbeknol heeft enorme honger, maar begrijpt dat er bij Jerolimo niet veel te halen valt, hoewel deze reusachtig opschept over zijn voornaamheid.
3e toneel De oude kreupele hondenverjager Floris wordt gepest door twee jongens.
4e toneel Floris heeft een dode naar het kerkhof gebracht en raakt in gesprek met drie oude mannen over doden, de pest die heerst in Amsterdam, roddelaarsters en "practical jokes"
5e toneel De al genoemde twee jongens krijgen bij het knikkeren op het kerkhof ruzie. Floris slaat ze uit elkaar. 

2e bedrijf 
1e toneel
 

In zijn uiterst armoedige huis commandeert Jerolimo Robbeknol. Jerolimo kleedt zich zo deftig als een prins om de stad in te gaan.
2e toneel Twee hoeren, Trijn en An, praten over de klanten die ze zojuist "bediend" hebben. Jerolimo spreekt hen toe alsof ze godinnen waren, maar tenslotte blijkt dat hij met Trijn wil vrijen, wat ze afwijst. Hij geeft hun de muziek van een liedje dat ze gaan zingen.
3e toneel 
Robbeknol observeert Jerolimo die de "dames" niet wil trakteren, omdat hij zich als koninklijk koetsier (naar hij zegt) niet in zulk gezelschap kan vertonen. De "dames" hebben intussen wel door dat hij geen cent bezit.
4e toneel An vertelt aan Trijn hoe ze als dienstmeisje op haar 14e door de zoon des huizes in de liefde ingewijd werd, wat ze heerlijk vond, maar wat wel tot haar ontslag leidde, waarna ze in het "rosse leven" belandde. Trijn zegt op haar beurt dat haar vriend al haar spaargeld stal, waarna haar niets anders restte dan haar lichaam te verkopen.
5e toneel Robbeknol gaat bijkans dood van de honger. Jerolimo bezingt nog eens de lof van Antwerpen. Robbeknol komt volgegeten en met veel voedsel thuis, maar blijft door eten en schenkt zijn voedsel ook aan de hongerige Jerolimo. 

3e bedrijf 
1e toneel 

Robbeknol beklaagt zich over zijn voortdurende armoede en constateert dat ook Jerolimo straatarm is.
2e toneel De drie eerder genoemde oude mannen beschuldigen elkaar van allerlei wandaden, praten over de slechte tijden en bespreken de actuele roddels.
3e toneel 
Het stadsbestuur van Amsterdam verbiedt bedelen en beveelt registratie van de armen.
4e toneel 
De drie oude heren wijten de maatregelen van het stadsbestuur aan het wangedrag van vreemdelingen.
5e toneel 
Robbeknol ziet de ernst van de nieuwe verordening in, vooral ook voor zijn meester.
6e toneel 
Trijn, een katoenspinster en voormalig prostituée, scheldt een man uit die haar "hoer" noemde. Twee andere spinsters, Jut en Els, manen haar tot kalmte. Ze praten o.a. over weldoeners voor de armen, die helaas echter steeds minder geven.
7e toneel 
Robbeknol komt en leest de spinsters voor uit de Bijbel, in ruil waarvoor zij hem eten beloven.
8e toneel
Jerolimo zegt tegen Robbeknol dat hij een ander huis gehuurd heeft en geeft hem geld om eten op de markt te kopen.
9e toneel Robbeknol ziet een lijkstoet en meent te horen dat het lijk naar Jerolimo's huis gebracht zal worden.
10e toneel Jerolimo stelt Robbeknol gerust: het lijk gaat naar zijn graf. 

4e bedrijf 
1e toneel
 

Bijateris, uitdraagster (vrouwelijke handelaar in tweedehands goederen) en koppelaarster, zegt dat ze vroeger zeer veel minnaars heeft gehad, maar nu succes heeft als koppelaarster.
2e toneel 
Robbeknol zegt voordelig ingekocht te hebben. Met Jerolimo gaat hij direct eten en drinken. Jerolimo suggereert dat zijn natuurlijke vader een Spanjaard is.
3e toneel Gierige Geeraart, huiseigenaar, etaleert breedvoerig zijn gierigheid.
4e toneel 
Bijateris en Geeraart raken in gesprek over geldzaken. Geeraart zegt dat hij op weg is naar een huurder, een "kale jonker", die niet betaalt (d.i. Jerolimo). Bijateris heeft ook nog geld van hem te goed.
5e toneel 
Bijateris en Geeraart kloppen aan bij Jerolimo en worden, na enig aandringen, door Robbeknol binnengelaten. Jerolimo belooft Robbeknol zo spoedig mogelijk te betalen. Maar hij ontslaat Robbeknol en zegt snel te moeten vertrekken. 

5e bedrijf 

1e toneel Twee van de spinsters bekommeren zich om Robbeknols lot.
2e toneel 
Geeraart en Bijaterijs beklagen zich erover dat de mensen niet te vertrouwen zijn. Robbeknol zegt dat zijn meester vertrokken is.
3e toneel 
Geeraart vraagt de notaris een inventaris op te maken.
4e toneel 
Geeraart vraagt de schout het aan Jerolimo verhuurde huis open te breken.
5e toneel 
Diverse schuldeisers van Jerolimo raken met elkaar in gesprek.
6e toneel Jerolimo is verdwenen. De schuldeisers maken ruzie. Het huis blijkt geheel leeggehaald te zijn. Robbeknol wordt beschuldigd, maar al gauw vrij gelaten. De schuldeisers vervloeken Jerolimo.
7e toneel 
De schout en de notaris vragen Bijateris en Geeraart om geld voor hun diensten, maar krijgen dat niet. Er blijkt maar weer eens dat de mensen anders kunnen zijn dan ze zich voordoen ("Al ziet men de lui, men kent ze niet!"). Robbeknol vraagt om applaus en instemming van het pu
bliek. 

Bron : https://www.scholieren.com/boekverslag/67900


Recensie 1

Recensie door dr. C. A. de Niet - 23 februari 2000
Bredero stelt levendigheid volkstaal boven klassieke geleerdheid

Asielzoeker in de zeventiende eeuw

Als zeventiende-eeuwse Nederlandse dichters verwezen naar de meest vooraanstaande auteurs van literaire werken in hun tijd, noemden ze vrijwel altijd de namen van Hooft, Huygens en Vondel, soms aangevuld met Heinsius, Barlaeus en Cats. Maar zelden of nooit verwezen zij naar Gerbrand Adriaanszoon Bredero. Toch verscheen een nieuwe uitgave van twee van diens toneelstukken, ”Moortje” en ”Spaanschen Brabander”, in de Deltareeks, die opgezet is vanuit de grondgedachte dat de belangrijkste werken uit de oudere Nederlandse letterkunde permanent beschikbaar moeten zijn. Zijn Bredero's stukken zo belangrijk?

De 'grote' dichters van de zeventiende eeuw waren allen ”Latijnse-geleerden”, zoals Bredero hen aanduidt in het voorwerk van zijn ”Moortje” (1617). Zijn eigen werk betitelt hij in datzelfde verband als ”myne duytsche Leecke-Broeders Rymerijen”, waarvoor hij zich in een ”Reden aande Latynsche-geleerde” uitvoerig lijkt te verontschuldigen.

Naar eigen zeggen heeft Bredero namelijk de euvele moed gehad als een simpele Amsterdammer die maar een beetje schoolfrans in het hoofd gerammeld had, de door allen om zijn zuivere Latijn zo hooggeprezen blijspeldichter Terentius „niet alleen mal Hollantsch, maer (dat van elck der naaghebuur-Steden begheckte) Amsterdams” te laten spreken. In dezelfde voorrede vertelt Bredero op quasi-verontschuldigende toon hoe hij via een Franse vertaling –het origineel kon hij immers niet lezen– een van Terentius' stukken, de ”Eunuchus”, niet slechts uit het keizerlijke Rome gevoerd, maar naar zijn eigen vaderstad gesleept en geradbraakt had, „waer van dat ick vreese, dat ghy lieden my levendich sult veroordelen voor een Moordenaar”!

Volkstaal
Twee dingen worden zonneklaar in deze rede tot de geleerden met hun Latijnse hoogdravendheid: ondanks de schijn van het tegendeel koketteert Bredero met zijn gebrek aan kennis van de klassieke literatuur in de oorspronkelijke talen en zeer zelfbewust plaatst hij daartegenover zijn onmiskenbare gave de volkstaal in al haar bonte levendigheid letterlijk voor ogen te stellen.

In zijn afkeer van gezwollen taal richt Bredero zich trouwens niet alleen tegen de taal der geleerden. Ook het Brabants moet het ontgelden – en dus de Brabanders. Dat blijkt niet alleen in het betoog over de aanpassing en herdichting van een klassieke tekst in „mal Hollantsch”, waarmee Bredero volgens zijn eigen inschatting dan toch maar iets beters verricht heeft dan de met allerlei bastaardwoorden opgedofte vertaling van hetzelfde stuk door Cornelis van Ghistele uit 1555. Het wordt ook duidelijk in de karaktertekening van de hoofdpersoon in het tweede spel, ”Spaanschen Brabander Jerolimo” (1618).

De tot tegenspraak prikkelende arrogantie van de berooide asielzoeker –het woord is een anachronisme natuurlijk, maar de bijbetekenis van ”profiteur” die er in vele gevallen heden ten dage mee verbonden wordt, geldt ook voor de vroege zeventiende eeuw met zijn vele uit Brabant afkomstige uitwijkelingen in Holland– wordt al in de eerste regel van de tekst voelbaar gemaakt: „T' is wel een schoone stadt, moor 'tvolcxken is te vies.” Het zal je als rechtgeaarde Amsterdammer toch gezegd worden door iemand uit Antwerpen, die er nota bene keer op keer blijk van geeft het onderscheid tussen waarheid en leugen niet al te scherp te zien. Bredero's ”Spaanschen Brabander” kan als een virtuoos protest tegen de bluf van een buitenlandse fantast beschouwd worden.

Zedenspiegel
Ik keer terug tot de vraag die ik hierboven stelde. Wat is het belang van de opnieuw uitgegeven teksten? De twee blijspelen maken deel uit van de experimenten met nieuwe vormen van komisch toneel binnen de Amsterdamse rederijkerskamer De Eglantier. De stukken worden in een nawoord van de tekstbezorger, dr. E. K. Grootes, in dit literair-historische perspectief gezet; ook andere aspecten van beide spelen, zoals de bronnen en de bewerkingswijze, krijgen de nodige aandacht. Grootes wijst onder meer op de functie van zedenspiegel die met name de ”Spaanschen Brabander” gehad zal hebben, mede door het nadrukkelijk gepresenteerde motto: „Al siet men de luy men kentse daarom niet.” ”Moortje” en ”Spaanschen Brabander” kunnen bezien worden als bijdragen aan een literair en een maatschappelijk debat in de vroege zeventiende eeuw.


Om historische en om literaire redenen zijn de stukken dus zeker belangrijk te achten. Ze leveren ook na bijna vier eeuwen nog stof tot wetenschappelijke discussie, zoals het nawoord laat zien. Maar iedere lezer heeft het recht zijn eigen literaire canon te vormen. Voor de bepaling daarvan zijn veelal andere dan literair-historische factoren en argumenten doorslaggevend. Het volkse en tegelijk artistieke realisme van Bredero is boeiend en vermakelijk, zeker. Maar in de persoonlijke waardenschaal staat voor mij boven Bredero's werk de religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw, die terecht reeds eerder in de Deltareeks is uitgegeven.


Recensie 2 
http://dbnl.nl/tekst/stip002hist01_01/stip002hist01_01.pdf

Reacties

Populaire posts van deze blog

''Schuld'' door Walter van den Berg

''De Aanslag'' door Harry Mulisch

''Muidhond'' door Inge Schilperoord